Loading...

HOORZITTING BELEIDSNOTA (DEEL 2/4) OVER HANDEL, DUURZAAMHEID EN BELEIDSCOHERENTIE: ‘TRADITIONELE HULP IS ACHTERHAALD’


journalistiek

Tijdens het tweede deel van de hoorzitting over de beleidsnota ‘Wat de wereld verdient’, werden Nico Roozen (Solidaridad), Bob van der Bijl (NABC) en Paul Engel (ECDPM) gehoord. Traditionele hulp is achterhaald, vinden zij. Ze bediscussiëren de gewenste rol van het bedrijfsleven en bepleiten nieuwe invullingen van hulp.

Waar de eerste deelsessie over ontwikkelingssamenwerking en armoedebestrijding ging, betrof de tweede deelsessie de onderwerpen handel, duurzaamheid en beleidscoherentie.

Nico Roozen, directeur van Solidaridad, opent met lovende woorden: de nieuwe nota schept duidelijkheid, geeft nieuwe energie en getuigt van moed om een nieuw paradigma neer te zetten. Een dergelijk nieuw paradigma acht Roozen nodig om de grootste uitdaging voor de komende jaren aan kunnen te gaan: in 2050 moeten 9 miljard mensen toegang hebben tot voedsel. Bovendien moeten er alternatieve grondstoffen worden gevonden, want het gebruik van fossiele brandstoffen wordt in toenemende mate problematisch. Deze uitdaging kan alleen door marktpartijen opgepakt worden, vindt Roozen. ‘Maar dit kan niet zomaar gebeuren. Een markttransformatie is nodig.’ Als criteria hiervoor noemt Roozen duurzaamheid, maatschappelijk verantwoord ondernemen, naleving van de wet, en ontwikkelingsrelevantie.

Roozen vat zijn benadering samen met de term ‘hulp als investering’, waarbij maatschappelijke organisaties moeten komen met market based solutions. Subsidies zijn zo niet nodig: krediet en kapitaal zijn genoeg.

Ook Bob van der Bijl, directeur van het Netherlands African Business Council (NABC), ziet een belangrijke rol weggelegd voor het bedrijfsleven. Sterker nog, volgens hem is maatschappelijk verantwoord ondernemen belangrijker dan traditionele hulp.

Daarnaast pleit hij ervoor lokale oplossingen te zoeken: ‘Problemen in Afrika moeten in Afrika opgelost worden door Afrikanen. Het enige dat we kunnen doen, is kennisoverdracht vanuit het bedrijfsleven bevorderen.’

De discussie wie profiteert – het Nederlandse of het lokale bedrijfsleven – vindt Van der Bijl overbodig: een goede economie in Afrika is immers ook in het belang van Nederlandse bedrijven. ‘Het is geen kwestie van óf Nederland, óf Afrika, het is win-win’, aldus Van der Bijl.

 

Inclusief en duurzaam 

Paul Engel, directeur van het European Centre for Development Policy Management (ECDPM), opent met de woorden: ‘Met een mooie nota schieten we weinig op. Het moet ook werken in de praktijk.’ De Nederlandse inzet op de post-2015 agenda valt tegen, vindt Engel: ‘Armoede en hulp moeten gerelateerd worden aan mondiale publieke goederen. De internationale gemeenschap doet dat al. Nederland mist de boot als we hier niet in meegaan.’

Ook is Engel kritisch op de manier waarop beleidscoherentie tot uitdrukking komt in de nota. In hoofdstuk twee staat dat het leidende principe van coherentie inclusieve en duurzame groei moet zijn. Waar Roozen inclusiviteit interpreteert als ‘optimale participatie’ (potenties moeten volop worden benut) en duurzaamheid als ‘meer doen met minder’ (meer voedsel moet worden geproduceerd met minder negatieve effecten), vindt Engel deze begrippen problematisch en vaag.

Hij stelt de retorische vraag waarom beleidscoherentie zo moeilijk is: het is toch in ieders belang dat het ene het andere niet tegenwerkt? Hij beantwoordt vervolgens zelf de vraag: de politieke wil en capaciteit is er niet en er is onvoldoende druk vanuit de maatschappij. Daarnaast missen zowel ngo’s als het ministerie van Buitenlandse Zaken de kennis van zaken en de capaciteit om effectief en efficiënt te werk te gaan. ‘Om zaken echt mee te laten tellen moet je een minister van coherentie sterke instrumenten, oftewel ammunitie, geven om een verschil te maken. Op deze manier zal ze niet één gevecht winnen.’

 

Vertrouwen in de spin-off

Van der Bijl wordt tijdens het vragenrondje van de Kamerleden het meest onder vuur genomen. Sjoerd Sjoerdsma (D66) vraagt hem naar de ontwikkelingsrelevantie van exportkredieten. Van der Bijl: ‘De financiering van handel biedt grote mogelijkheden, zowel hier als daar. Dat zorgt voor verschillende positieve effecten.’

Opnieuw komt het onderwerp van de toegevoegde waarde van het Dutch Good Growth Fund ten opzichte van het reeds bestaande FMO terug in de hoorzitting. Ditmaal aangestuurd door Jasper van Dijk (SP). Van der Bijl ziet hier geen probleem en vindt het FMO ‘een prima uitvoerder’ van het revolverend fonds. Goed management van het fonds is volgens Van der Bijl cruciaal voor het succes:  ‘Het allerergste zou zijn dat mensen met dit fonds op pad gaan en vervolgens niks meer met Afrika te maken willen hebben. Het moet dus professioneel gebeuren.’

Hij benadrukt wederom het belang van het bedrijfsleven in ontwikkelingssamenwerking en vindt dat bedrijven gestimuleerd moeten worden om te ondernemen in het Zuiden, want tot op het heden is er maar een heel klein percentage van het bedrijfsleven dat in Afrika onderneemt.

Van der Bijls conclusie dat bedrijven eerst goed gepositioneerd moeten worden en dat ze pas daarna gecontroleerd moeten worden op maatschappelijk verantwoord ondernemen, schiet Marit Maij (PvdA) in het verkeerde keelgat: ‘Dus als ik u goed begrijp, moeten we ons eerst niet netjes gedragen, en daarna pas netjes gedragen?’

‘Ik ben blij dat u deze vraag stelt’, reageert Van der Bijl sussend. ‘Natuurlijk kan er alleen succes zijn als we het op een nette manier doen. Maar ik denk dat Nederlandse bedrijven zich sowieso al sterk bewust zijn dat ze zich moeten richten op duurzaamheid. Het is natuurlijk interessant om te praten waar bedrijven zich allemaal aan moeten houden, maar het is belangrijker dat er ruimte blijft voor de positieve kanten van Afrika.’

Joël Voordewind (Christenunie) vraagt ten slotte hoe er binnen dit kader rekening gehouden kan worden met de allerarmsten. Van der Bijl: ‘U moet vertrouwen hebben in de spinoff.’ Wanneer de productie en distributiecapaciteit groeien, zal volgens Van der Bijl de werkgelegenheid uiteindelijk ook groeien. ‘Je kan het niet uittekenen, maar als de economie gaat draaien, zullen ook de allerarmsten profiteren.’