Loading...

MINISTER EN OPPOSITIE VINDEN ELKAAR NIET TIJDENS VERLENGING NOTA OVERLEG


journalistiek

De felheid van toon in het debat was er niet minder om, maar de tweede termijn van het nota overleg voegde weinig concreets toe aan hetgeen afgelopen donderdag al was besproken. Enige toenadering tussen een ontevreden oppositie en een standvastige minister was ver te zoeken. De minister en de vier felste oppositiepartijen (D66, GroenLinks, ChristenUnie en SP) bleven botsen en lijken alleen nog maar verder van elkaar verwijderd. De minister kan een flink aantal moties tegemoet zien.

‘Als het op deze voet doorgaat, halen we 21:00 uur vanavond niet’, schampert Jan Vos (PvdA) al na twintig minuten. ‘Daar heeft u een punt’, vindt de voorzitter. En inderdaad, het is een lange zit. De interrupties volgen elkaar in hoog tempo op. De voorzitter gaf aan het begin van de zitting aan niet van plan te zijn deze in te perken. Een weinig houdbare strategie: de ondervragingen aan het adres van de VVD maakten dat alleen al de eerste termijn van de VVD een uur duurde.

Het Algemeen Overleg van vandaag werd vooraf gegaan door een vier uur durende hoorzitting op 22 april. Daarnaast heeft de minister op 16 mei de ruim vijfhonderd aan haar gerichte Kamervragen aangaande haar nota beantwoord.

 

Bangladesh

Tijdens het debat tekenen de scheidslijnen tussen de oppositie en de regeringspartijen zich sterk af. Dit wordt onder andere duidelijk tijdens de discussie over Ploumen haar inzet in Bangladesh, waar zij  voorzitter is van een groep donorlanden, bedrijven en maatschappelijke organisaties om de arbeidsomstandigheden te verbeteren. Daarvoor heeft ze 9 miljoen euro vrijgemaakt. René Leegte (VVD) opent zijn betoog met een sneer naar de minister. Leegte: ‘Die ramp is natuurlijk vreselijk. Maar nu is de minister opeens voorzitter van een praatgroepje. Ik vind het raar dat de minister kennelijk wel tijd heeft om met die vakbonden om de tafel te gaan zitten, terwijl ze amper tijd heeft om te praten met de kamer. Ze zit altijd in het buitenland.’ De VVD kwalificeerde Ploumens inzet in het overleg eerder al als poging tot het ‘afkopen van schuldgevoel’.

Een felle discussie breekt los. Sjoerd Sjoerdsma (D66), geërgerd nadat de andere VVD-woordvoerder, Ingrid de Caluwé, haar vingers niet aan de kwestie wil branden: ‘Ik krijg het gevoel dat de VVD hier met twee vertegenwoordigers van handel zit’. Ook Joël Voordewind (ChristenUnie) zegt ‘de kluts kwijt’ te zijn: ‘Wie is nu eigenlijk de woordvoerder van VVD over dit onderwerp?’ Hij vindt Leegtes uitspraken ‘schaamteloos’. Voordewind: ‘De minister is zo moedig om een controleorgaan op te zetten, en u heeft het over een praatgroepje! Onvoorstelbaar.’

Leegte verdedigt zijn uitspraak door te stellen dat het niet aan de Nederlandse overheid is om verantwoordelijkheid te nemen voor de mensen in Bangladesh, maar aan de Bengalese overheid zelf, aan de bedrijven, en aan de consument. Iedereen is vrij te kiezen waar ze hun kleren kopen, aldus Leegte. Het wordt Voordewind te gortig: ‘Ik val van mijn stoel! We spreken al jaren over transparantie in de keten, waarbij de VVD altijd zei dat het wel goed komt met bedrijven en ze wel aan alle standaarden voldoen. Daar klopt dus geen snars van. Zorgt u dan tenminste dat er labels op die producten komen te staan.’

Ook Jasper van Dijk (SP), Kees van der Staaij (SGP) en Sjoerdsma keren zich tegen Leegte. Van Dijk: ‘De ramp is het bewijs dat de visie van Leegte faalt.’ Sjoerdsma: ‘Voor u is vrijhandel blijkbaar vrijblijvende handel. Zolang de consument niets vraagt, mag alles. Maar weet die alles? Waar heeft u uw eigen sokken en uw pak eigenlijk vandaan?’ Van der Staaij: ‘Als Nederland een handelsbelang heeft, dan heeft het toch vanzelfsprekend ook belang bij betere arbeidsomstandigheden?’

Leegte verzekert Sjoerdsma dat zijn sokken uit een deftige lokale winkel komen en zijn pak uit Italië. En vervolgt: ‘We moeten ons niet laten gijzelen door die ramp’, reageert Leegte. ‘We moeten handel drijven. Het is crisis. Alle hens aan dek.’ Hij citeert vervolgens Matteüs vers veertien, dat hij interpreteert als een oproep zelf iets van ons leven te maken, zonder overheidsbemoeienis. Van der Staaij (SGP) krijgt de lachers op zijn hand als hij droogjes reageert: ‘Als iedereen naar Jezus zou luisteren, dan hebben we inderdaad geen overheid nodig.’

Jan Vos (PvdA) valt, in tegenstelling tot zijn coalitiepartner, de oppositie bij. Hij complimenteert minister Ploumen met haar vlotte handelen. Haar inzet in Bangladesh ziet hij als illustratie van een mogelijkheid om tegenwicht te bieden aan machten als China en de VS, die er wat betreft mensenrechten geheel andere waarden op na lijken te houden. Maar ook Vos wordt onder vuur genomen als Bram van Ojik (Groenlinks) hem vraagt of minister Ploumen niet beter verplichtingen aan bedrijven kan stellen in plaats van gesprekken en Ronde Tafels te beginnen. Het ontbreken van internationale wetgeving is volgens hem namelijk een structureel probleem. Vos geeft hier echter geen antwoord op.

 

Dutch Good Growth Fund

Ook bij het op te tuigen Dutch Good Growth Fund, dat zoals verwacht wederom centraal stond in de discussie, zijn de verschillen tussen oppositie en coalitie duidelijk merkbaar. De oppositie ziet nog steeds weinig in het fonds, maar als het er dan toch komt moet er tenminste een andere invulling voor komen, vindt men.

Van Ojik (GroenLinks) noemt het fonds ‘in vorm slecht doordacht’. Hij merkt op dat het ofwel mislukt, ofwel onnodig is: in het geval van risicovolle ondernemingen komt het geld wellicht niet terug en wanneer het wel terug komt, had het net zo goed verstrekt kunnen worden door een gewone bank. Volgens Joram van Klaveren (PVV) is het überhaupt onzin om met belastinggeld risicovolle investeringen te dragen, daar waar banken het laten afweten: ‘Waarom heeft u zich bekeerd tot het socialisme, mevrouw De Caluwé?’

Sjoerd Sjoerdsma vraagt zich af op welk probleem het fonds een antwoord vormt, maar denkt desondanks constructief mee en stelt voor om het fonds uit te smeren over een periode van zeven tot tien jaar en het alleen beschikbaar te maken voor jonge social entrepreneurs. Hij ziet het helemaal voor zich ‘investeringen in innovatieve sociale ondernemers met een gemiddelde leeftijd van 35 jaar.’ Marianne Thieme stelt voor om 10 % uit het fonds te besteden aan de waakhondfunctie van ngo’s die in de gaten kunnen houden of de investeringen uit het fonds in goede banen worden geleid. Voordewind is verbaasd dat de VVD instemt met het fonds, terwijl de precieze invulling ervan nog onduidelijk is. Hij stelt daarom voor met een kleiner bedrag te starten, in plaats van tien miljoen.’ Van Dijk valt hem bij en vraagt of het bedrag toegekend aan het fonds niet naar andere ‘dringendere’ zaken kan worden doorgeschoven.

‘Dat kan niet’, stelt Marit Maij (PvdA) resoluut, ‘Het geld voor het fonds komt van het ministerie van Financiën, er is geen ruimte binnen de budgettaire kaders van het kabinet.’ Wat een ‘zuinig, technisch’ antwoord, verwijt Sjoerdsma haar, en hij wijst haar erop dat het budgettaire kader pas met Prinsjesdag komt en er nog helemaal niets vast ligt: ‘Nu is er nog tijd om dingen te veranderen’, spoort hij haar aan.

Van Dijk vindt het fonds ‘een onbegrijpelijke naam voor een onbegrijpelijk fonds. Hoe gaat de minister aan een Afrikaans kind uitleggen dat ze geen geld heeft om het naar school te sturen, maar wel om Heineken in Georgië te laten investeren?’ Hij pleit ervoor het fonds af te schaffen en het geld te besteden aan nuttiger zaken. ‘Maar als het toch doorgevoerd wordt, hanteer dan de FMO-standaarden, faseer het budget en gooi de exportfinanciering eruit.’

Volgens De Caluwé dient het fonds voor risicovolle investeringen aan kleine ondernemers– iets waar banken ‘niet om staan te juichen’. Deze risicovolle lening zou vervolgens volledig revolverend zijn: ‘Het geld komt altijd terug.’ Sjoerdsma kijkt volongeloof naar zijn collega. ‘Is er dan tijdens de hoorzitting helemaal niet geluisterd naar het FMO dat duidelijk maakte dat er weinig vraag is onder het MKB voor kredietverstrekking voor ondernemingen in ontwikkelingslanden? Het Dutch Good Growth Fund klinkt te mooi om waar te zijn, en dat is het ook.’ Agnes Mulder (CDA) adviseert een duidelijker doel van het fonds te formuleren: wanneer vindt de minister het fonds een succes en hoe is zij van plan de voortgang te meten?

Voordewind kijkt verder met lede ogen aan hoe volgens hem de motie-Slob ruim geïnterpreteerd wordt. Terwijl hij wil dat het fonds vooral ten goede komt aan het MKB in Afrika, mag het nu opeens ook naar Nederlandse bedrijven gaan. Sjoerdsma probeert de PvdA te verleiden het fonds scherper te formuleren zodat het echt ten goede komt aan de ‘missing middle’ – iets wat de PvdA ook wil – en niet naar grote Nederlandse bedrijven, maar de PvdA doet hierop geen concrete toezeggingen.

 

Beleidscoherentie

Het debat over het fonds is symptomatisch voor de bredere discussie over de combinatie tussen hulp en handel, dat voor de oppositieleden blijft wringen. Met name de SP, D66, Groenlinks en de Partij voor de Dieren kunnen zich nog niet vinden in de manier waarop Ploumen tot nu toe invulling geeft aan haar post. ‘Een tweekoppig coalitiemonster’, noemt Sjoerdsma (D66) de nota. Hij wil dat de minister concreter is wat betreft coherentie: ‘De visie van de minister is verscheurd. Het samenvoegen van hulp en handel is ineffectief. Mevrouw Ploumen zou de koningin van de coherentie zijn. Maar de vraag is: is de hofhouding wel op orde? Wanneer komen de impactstudies?’ Hij vraagt zich af wie gaat zorgen dat handel ontwikkelingsrelevant wordt. Als dit gebeurt, stelt Sjoerdsma, en een mvo-kader wordt geïmplementeerd, ligt er een grote kans voor Nederland om zich internationaal te profileren.

Ook volgens Van der Staaij ontbreekt het Ploumen aan een visie op coherentie: ‘Net zoals het Nederlands handelsbelang meegenomen wordt in discussies over ontwikkelingssamenwerking, zou het andersom ook moeten gebeuren.’ Als criterium voor coherentie zegt de minister nu slechts te kiezen ‘voor de oplossing die voor de Nederlandse economie het beste resultaat oplevert’, citeert Van Ojik op de nota (p. 17). ‘Is dat coherentie?’, vraagt hij zich af. ‘Ik stel me daar toch iets anders bij voor.’

Van Dijk (SP): ‘Ik mag mevrouw Ploumen graag, maar ze slaat nu helemaal door in handel – de grijsgedraaide plaat van meneer Leegte.’ Leegte bijt terug door Van Dijks focus op armoede te vergelijken met de noodkreten van zeehondencrèche Pieterburen. Na Van Dijks opmerking dat de plaat nu nog grijzer wordt, grijpt Maij (PvdA) in: ‘Als ik jullie debatje zo beluister, dan zou u, meneer Van Dijk, het toch heel fijn moeten vinden dat de nota een compromis is tussen hulp en handel?’ Maij, die het het volledige overleg zwaar te verduren krijgt, wordt door Van Dijk toegeworpen: ‘U heeft de slag verloren, mevrouw Maij. Als u praat, lijkt het wel alsof ik meneer Leegte hoor praten. De hele ontwikkelingssamenwerking wordt uitgehold.’

 

EPA’s

In het licht van de discussie over handel en coherentie worden ook de EPA’s besproken. Volgens Leegte (VVD) is het zaak zo snel mogelijk alle EPA’s af te sluiten. Landen die geen EPA willen, moeten gekort worden op ontwikkelingsgeld, vindt hij. Dit in het kader van wat hij een betere economische diplomatie noemt.

Van Ojik (GroenLinks) heeft juist liever dat de minister beter luistert naar de wensen van ontwikkelingslanden: ‘De minister hoeft geen honest broker te zijn, maar ze moet positie kiezen. En die positie moet zijn dat ze zegt dat EPA’s niet positief zijn voor de economie in ontwikkelingslanden.’ Ook vindt Van Ojik dat het effect van handelsafspraken tussen Europa en de Verenigde Staten op ontwikkelingslanden meegenomen moet worden in de onderhandelingen. Hij refereert hierin aan een stuk in de New York Times van oud PvdA minister Herfkens – ook ooit uitgeroepen tot eerste coherentieminister.

 

Maatschappelijk middenveld

Verder merken alle oppositiepartijen op dat de waardering die minister Ploumen eerder uitsprak over het maatschappelijk middenveld zich niet financieel vertaald in de nota. Ze pleiten er daarom voor om de bezuinigingen op het maatschappelijk middenveld, die in 2015 50 % bedragen ten opzichte van 2013, te verzachten. Van der Staaij (SGP): ‘Als de minister zo positief is, waarom wordt er dan zo weinig financiële steun toegekend?’ Er moet meer steun komen voor particuliere initiatieven, vindt hij. Mulder en Voordewind (ChristenUnie) vallen hem hierin bij.

Van Ojik (GroenLinks) vindt de bezuinigingen op het maatschappelijk middenveld hard, zeker in relatie tot de steun die de private sector krijgt. Maij (PvdA) reageert door te stellen dat het geld voor het maatschappelijk middenveld ook uit andere hoeken kan komen, bijvoorbeeld vanuit wat ze het ‘ontwikkelingsmechanisme van de private sector’ noemt. ‘Op die manier kan het maatschappelijk middenveld misschien zelfs meer geld krijgen dan voor de bezuinigingen’, probeert ze hoopvol. Niemand lijkt gerust gesteld.

Om het maatschappelijk middenveld enigszins tegemoet te komen wil Maij een Legal aid fund op zetten. Dit fonds zou partijen die kritiek hebben op grote bedrijven juridisch beschermen.

De Caluwé is zeer positief over de forse verlaging van de subsidies aan ngo’s. ‘Nieuwe vormen van financiering moeten zich ook zeker niet ontpoppen tot nieuwe algemene subsidiepot. De ‘N’ van ngo staat er niet voor niets. Ze moeten hun eigen broek ophalen.’ Marianne Thieme vraagt zich vervolgens af hoe vrouwenemancipatie en LGBT-rechten (lesbiennes, gays, biseksuelen en transgenders) – waaraan De Caluwé eerder zei waarde te hechten – gewaarborgd kunnen worden door het bedrijfsleven.

 

Onderwijs

De zware bezuinigingen op het onderwijs gaan in het algemeen overleg ook niet onopgemerkt voorbij. ‘Kapitaalvernietiging’, noemt Van der Staaij (SGP) de afbouw van hulp op onderwijs. ‘Vooral beroepsonderwijs is nodig voor de ontwikkeling. Zonder onderwijs geen goede banen.’ Onzin, volgens De Caluwé: ‘Landen moeten hun eigen verantwoordelijkheid nemen door zich meer te focussen op economische ontwikkeling. Een middenklasse ontstaat niet door slechts educatie. Mensen moeten werk hebben, dan zijn ze van de straat. Dat zorgt voor minder rottigheid en dus meer vrede en veiligheid.’

Van Dijk (SP) breekt daarop eveneens een lans voor het onderwijs. Hij wijst op het verlies van de Nederlandse koppositie op dit punt. Hij stelt dat het defensiebudget uit het fonds geschrapt moet worden – ‘oorlog voeren wordt kennelijk geïnterpreteerd als ontwikkelingshulp.’ Met het geld dat zo vrij komt moet Nederland haar bijdrage aan het Global Partnership for Education voortzetten, vindt Van Dijk. En ook de Christen Unie en het CDA hopen dat er onder minister Ploumen nog iets zal overblijven van onderwijs.

 

Klimaatgelden

Ook het door Sjoerdsma gedoopte ‘koekoeksjong’ de klimaatfinanciering wordt door de oppositie aangehaald. Met strakke berekeningen en bijgevallen door Voordewind zet Sjoerdsma de aanval in op de PvdA.

Zowel Jan Vos als Marit Maij verweren zich slapjes. Voordewind (ChristenUnie) en Sjoerd Sjoerdsma vragen haar wat de ondergrens is voor de bezuinigingen: ‘Wanneer is genoeg echt genoeg?’, maar Marit Maij is niet te verlokken tot een antwoord. Ze herhaalt dat ze de bezuinigingen te ervaren als een steen op haar maag, maar acht de kwaliteit van de nota goed. Paradoxaal, vindt Van Ojik (GroenLinks): ‘Hoe kan het dat mevrouw Maij te spreken is over de kwaliteit, maar teleurgesteld is over de kwantiteit? De kwaliteit van ontwikkelingssamenwerking wordt toch om zeep geholpen door de kwantiteit?’, vraagt hij retorisch.

Dat Jan Vos de nota in de sociaal-democratische traditie van de PvdA vindt vallen, schiet Bram van Ojik in het verkeerde keelgat. ‘Hoe kun je vanuit die traditie trots zijn op een dergelijke nota?’ Het debat wordt fel gevoerd en is confronterend, maar de vraag is of de aanvallende strategie zijn effect zal hebben. Lees vanmiddag de reactie van minister Ploumen.